De metempsychose (zielsverhuizing) is verbonden met de evolutie van het bewustzijn naar steeds hogere trappen en men vindt het thema volgens Blavatsky bij alle grote filosofen:
Elke filosoof van enige bekendheid onderschreef deze leer van de metempsychose, zoals de brahmanen, de boeddhisten en later de pythagoreeërs ... Origenes, Clemens van Alexandrië, Synesius en Chalcidius geloofden er allen in; en hetzelfde geldt voor de gnostici, die in de geschiedenis zonder aarzeling worden bestempeld als de meest beschaafde, geleerde en verlichte mensen ... Deze filosofie leert dat de natuur haar werk nooit onvoltooid laat; wanneer haar eerste poging niet gelukt, probeert ze het opnieuw. Wanneer ze een menseljik embryo voortbrengt, is het haar bedoeling dat er een - lichamelijk, verstandelijk en geestelijk - volmaakt mens zal ontstaan. Zijnlichaam moet volwassen worden, verslijten en sterven, zijn denkvermogen zich ontvouwnen, rijpen en in harmonisch evenwicht komen, zijn goddelijke geest moet de innerlijk e mens verlichten, en daarmee moeiteloos een harmonieus geheel gaan vormen. Geen mens voltooit zijn grote cyclus, of de 'kringloop van de noodzakelijkheid', tot dit alles tot stand is gebracht. Evenals de achterblijvers in een race in het eerste gedeelt zwoegen en ploeteren, terwijl de overwinnaar over de eindsteep snelt, zo overtreffen sommige zielen in de race naar onsterfelijkheid alle andere, en bereiken ze het einde, terwijl duizenden van hun medestandeers nog dicht ibj het startpunt zwoegen onder de last van de stof. Sommige ongelukkigen vallen geheel af en verliezen elke kans op de prijs; enkelen keren op hun schreden terug enb eginnen opnieuw.
De metempsychose was dus slechts een opeenvolging van trainingsperioden in de toevlucht-hemelen (door de boeddhisten Zion genoemd),102 met het doel het uiterlijke denkvermogen af te stoten, de nous te bevrijden van de phren, of ziel, de boeddhistische vijñana-skandha, dat beginsel dat leeft op basis van karma en de skandha’s (groepen). Laatstgenoemde, de metafysische verpersoonlijkingen van de goede of slechte daden van de mens, incarneren – bij wijze van spreken – na de dood van zijn lichaam, en transformeren hun vele, onzichtbare, maar nooit stervende, samenstellende delen tot een nieuw lichaam, of beter gezegd tot een etherisch wezen, het dubbel van wat de mens moreel was. Het astrale lichaam van de kabbalist en de ‘geïncarneerde daden’ vormen het nieuwe zintuiglijk waarnemende zelf als zijn ahamkara (het ego, zelfbewustzijn), dat hem is gegeven door de hoogste meester (de adem van God) die nooit kan vergaan, want als geest is hij onsterfelijk; vandaar het lijden van het nieuw-geboren zelf tot het zich bevrijdt van alle aardse gedachten, begeerten en hartstochten.
We zien nu dat de ‘vier mysteriën’ van de boeddhistische leer even weinig zijn begrepen en gewaardeerd als de ‘wijsheid’ waarop Paulus zinspeelt, en waarover wordt gesproken ‘onder de volmaakten’ (ingewijden), de ‘mysteriewijsheid’, die ‘geen van de archonten van deze wereld heeft gekend’.103 Het vierde stadium van het boeddhistische dhyana, de vrucht van samadhi, die leidt tot de uiterste volmaking, tot visodhana, een term die door Burnouf juist wordt vertaald als ‘volmaakt’104, is door anderen en ook door hemzelf geheel verkeerd begrepen. Bij het omschrijven van de toestand van dhyana, stelt Saint-Hilaire:
Wanneer de asceet ten slotte het vierde stadium heeft bereikt, heeft hij niet meer dat gevoel van hemelse gelukzaligheid, hoe onbegrepen dat ook is; hij heeft ook alle herinnering verloren; . . . hij heeft ongevoeligheid bereikt, en is zo dicht bij nirvana als maar mogelijk is. . . . Deze absolute ongevoeligheid belet de asceet echter niet op ditzelfde ogenblik alwetendheid en magische kracht te verkrijgen; een overduidelijke tegenstrijdigheid, waaraan de boeddhisten zich evenmin storen als aan zovele andere.105
Bron : https://theosofie.net/onlineliteratuur/isisontsluierd/2_6boeddhisme.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten